Dat past toch helemaal niet bij jou, zo’n burn-out? (3)

De nachten waren het ergst. Als ik geluk had, viel ik rond een uur of vier in slaap en sliep door totdat de wekker ging. Had ik pech, dan sliep ik helemaal niet. Dan lag ik te draaien, te woelen, naar het plafond te staren. Of ik sloop uit bed, nestelde mezelf in een hoekje van de bank en huilde tot het ochtend werd. Ik was boos op mezelf. En boos op God. Waarom lukte het nou niet, waarom kon ik niet slapen? Ik was al zo moe. Dat laatste restje energie had ik nu toch juist nodig om een leuker mens voor mijn omgeving te zijn? Om het leven überhaupt aan te kunnen? Hoe kon ik ooit van een burn-out herstellen als ik niet eens in staat was om een paar uurtjes per nacht te slapen? 

Sliep ik tijdens het begin van mijn burn-out nog halve dagen, van het ene op het andere moment sliep ik helemaal niet meer. Soms voelde het alsof ik de uren die ik toen te veel geslapen had, nu moest terugbetalen. Wat ik ook probeerde, het lukte niet. Gewoon in bed kruipen en wachten tot de slaap me overviel bleek niet afdoende. Hoe stil ik ook lag, ik kon de slaap niet vatten. Ineens wist ik niet meer hoe het moest. Hoe deed je dat, slapen? Waarom kon het gros van de mensheid het wel, maar ik niet? Maandenlang liep ik als een zombie door het huis. Overdag putte ik uit de reserves van mijn energie, ’s nachts werd die tank nauwelijks bijgevuld. Het maakte me wanhopig, gefrustreerd. Ik was moe gestreden. Er waren zelfs nachten waarin een sprong vanaf de zesde etage waarop ik destijds woonde echt een reële oplossing leek.

Nee, dat deed ik niet. Ik kon het ook niet. Want ik wist dat er een man naast me lag die zielsveel van me hield. Ik besefte dat ik mijn leven nog niet kwijt wilde. Dat de mensen om me heen míj nog niet kwijt wilden. De dood was geen oplossing. Dus greep ik me vast aan elk goedbedoeld advies dat ik voorgeschoteld kreeg, in de hoop dat daar wel een oplossing tussen zou zitten: vaste avondrituelen, geen koffie en zwarte thee meer drinken, ademhalings- en ontspanningsoefeningen, de slaapkamer ventileren, een boek lezen voor het slapengaan, de stekker uit het internet. Op zichzelf allemaal prima voorzorgsmaatregelen, maar het hielp niks. Ik sliep er geen seconde meer door. Tevergeefs smeekte ik de huisarts om slaapmedicatie, maar zij was bang dat ik verslaafd zou raken. Mijn lichaam moest dit probleem zelf oplossen, zei ze.

Hoe ik het in handen kreeg, weet ik niet meer. Maar op een dag stopte iemand me een boekje van Annemarie van Heijningen toe, Ik kan het niet loslaten. Annemarie schrijft hierin over hoe ze zelf met een slaapstoornis worstelde, die ze weet aan perfectionisme en een te groot verantwoordelijkheidsgevoel. Dat zette me aan het denken. Ik zag mezelf helemaal niet als perfectionistisch, anders had ik op school wel wat beter mijn best gedaan. En verantwoordelijkheidsgevoel, ja, dat had ik wel. Maar dat was toch juist een heel mooie eigenschap? Ik had het op mijn cv in ieder geval bij mijn competenties gezet. Verantwoordelijkheidsgevoel was toch geen oorzaak van slapeloosheid? Ik kon het me bijna niet voorstellen.

Tot ik mijn leven eens wat nauwkeuriger onder de loep ging nemen. Waarom vond ik het eigenlijk zo vervelend dat ik niet kon slapen? Natuurlijk, slaap is fijn. Slaap is belangrijk. Zonder slaap gaat een mens dood. Maar uiteindelijk wilde ik slapen om voor mijn omgeving een beter mens te zijn. Om voor mijn man een leukere echtgenote te zijn. Om fit op mijn werk te verschijnen en al mijn sociale verplichtingen niet steeds af te hoeven zeggen. Zelfs tijdens mijn eigen worsteling, dacht ik nog na over de gevolgen die anderen ervan zouden kunnen ondervinden. Bovendien voelde ik me een mislukkeling, ik had opnieuw gefaald. Weer was gebleken dat ik iets niet kon. Zelfs zoiets simpels als slapen was voor mij niet weggelegd.

Langzaam maar zeker ontdekte ik dat ik de lat voor mezelf veel te hoog legde. Hoezo was ik pas leuk en goed genoeg als ik elke nacht ten minste acht uur slaap haalde? Zouden mensen me echt uit hun leven verbannen als ik een keer niet op een feestje verscheen omdat ik te moe was? Toen ik dit onder ogen zag, leerde ik mijn slapeloosheid een plekje te geven. Wanneer ik ’s avonds in bed kroop, oefende ik mezelf in dankbaarheid. Ik probeerde me niet te focussen op de dingen die ik niet had (slaap, gezondheid, energie om sociaal te kunnen zijn), maar juist op op de dingen die ik wel had (een dak boven mijn hoofd, een bed met peperdure matras, een fijne relatie, fantastische familie en vrienden). Gek genoeg lag lag mijn bed hierdoor ineens een stuk lekkerder. In plaats van te denken ‘ik moét slapen’, dacht ik: ‘hè, wat lekker dat ik überhaupt een bed heb’. Hiermee nam het aantal uren dat ik sliep niet direct toe, maar de manier waarop ik in bed lag veranderde wel.

Uiteindelijk bleek mijn slapeloosheid ook een medische oorzaak te hebben. Met behulp van een neuroloog, een fysiotherapeut en de juiste medicatie weet ik inmiddels weer hoe het moet, slapen. Het moet namelijk niet, het gebeurt gewoon. En soms gebeurt het niet, dat kan ook voorkomen. Maar dat is niet iets wat je jezelf kunt verwijten. Slaap is namelijk iets magisch, het valt niet te analyseren. En zeker niet te forceren. Ik heb leren accepteren dat dit iets is dat bij me hoort; ik ben gewoon geen goede slaper. En achteraf gezien ben ik dat ook nooit geweest, ook als kind niet. Maar slapeloosheid zoals ik dat toen had, dat ken ik gelukkig niet meer. Niet om dat ik nooit meer wakker lig, maar omdat ik anders wakker lig. Ik probeer mezelf niet te verwijten dát ik wakker lig. Ik hoef namelijk voor niemand een leuker, energieker mens te zijn, behalve voor mezelf. En dat word ik niet per se als ik voldoende slaap, maar wel als ik er vrede mee heb dat het leven, en dus ook mijn slaapritme, niet maakbaar is. Hoe graag ik dat soms ook zou willen.

Heel eerlijk? Nog steeds is slapeloosheid mijn allergrootste angst. De gevoelens van wanhoop, het intense verdriet dat ik toen meemaakte… Nee, dat hoop ik nooit meer mee te maken. Maar aan die angst zit altijd een stukje dankbaarheid gekoppeld. Ik zie slaap niet meer als iets vanzelfsprekends, maar als een geschenk. Wanneer ik ’s ochtends wakker word, ben ik nog elke keer oprecht dankbaar dat ik geslapen heb.

Ik kan het niet loslaten; Annemarie 
van Heijningen-Steenbergen; Boekencentrum Uitgevers, 2012; ISBN 978 90 239 2028 1; 172 bladzijdes.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s